Longread

Spiegelreflectie

Ik kijk naar het rode, geïrriteerde puntje dat zich op mijn huid heeft gevormd. Het lijkt wel alsof er, onder een laag van egale cellen, een gebobbelde laag zit die zelfs mijn huid niet recht kan trekken en soms even naar buiten wilt komen als ik niet oplet. Snel steek ik mijn hand uit naar het nachtkastje naast mij. Daar vind ik, precies op de plek waar het hoort te liggen, een crème die schijnt te helpen. Op het brandende stukje huid probeer ik met de crème een stipje te zetten die helemaal rond is. Na een paar keer opnieuw smeren en weghalen lukt het me eindelijk en kan ik doorgaan met de rest van de routine. Ik sorteer elke haar op het midden van mijn hoofd naar links of rechts totdat ik een rechte lijn van hoofdhuid kan zien. Dat kleine onwaarschijnlijke stukje van mijzelf wat je niet ziet als je niet goed kijkt. Met een lint bind ik mijn verzamelde donkerbruine lokken vast tegen de achterkant van mijn hoofd. Geen enkele haar mag uitsteken en dus bind ik het nog wat strakker.
Vroeger trok mijn moeder zo hard dat het twee hele dagen in de zelfde positie kon blijven zitten. Nu doet het al geen pijn meer.
Omringende spiegels weerkaatsen mijn emotieloze houding. Ik kijk naar het portret in de spiegel wat eerder een schildering is dan een levend beeld. Mijn ogen, die kleine ovale rondjes, zijn van mij. Ze zullen altijd ovaal blijven, hoe ik mezelf ook draai in de spiegel. Opeens verschijnen ze in mijn gedachten; besluiteloze blikken, onherkenbare gezichten met oordelen en beperkingen die groeien vanuit het luchtledige verzinsel van trots. Ik kijk weg, maar de blikken blijven me volgen. Ik laat ze overwoekerend mijn leegte in gedachten aanvallen. Wat als ik niet perfect ben? Perfect lijk?
Getik op mijn ramen brengt me een stukje terug mijn kamer in; het geluid van druppels. Soms denk ik iets te herkennen in het aritmische geheel zonder lied. Ik probeer te begrijpen hoe iedere druppel apart valt nadat ze uren met dezelfde wind mee zijn gevormd.
De reflectie van mijzelf in de spiegel voor me, brengt me geheel in beeld en ik zoek naar de extra rechte omlijning van de schildering voor ik mijn aandacht voorbij de spiegel richt.
Ik draai me om de kamer in.
Van links naar rechts kijk ik rond en knijp mijn ogen zo, dat ik net tussen mijn wimpers door kan gluren, alles net iets scherper zie. De muren zijn in strakke effen kleuren behangen en afgewerkt aan de raakvlakken met bescheiden kaarsrechte zilveren lijntjes. Lijntjes die je haast niet ziet, maar die toch de afwerking geven die je verwacht. Op mijn kast staan alle zilveren flesjes parfum, ieder met zijn eigen vorm maar toch precies even ver van elkaar verwijderd en de deodorantbussen heb ik van groot naar klein gesorteerd. Op de plank zie ik dat twee boeken verkeerd om staan en gehaast stap ik er naar toe om ze vervolgens geërgerd om te wisselen.
Vanuit mijn ooghoek zie ik het tafellaken over de tafelrand steken. Mijn nek maakt een krampachtige beweging en mijn hoofd schiet naar de andere kant van mijn kamer. Het tafellaken met mooie bloemetjes als patronen ligt niet parallel met de rand van het meubel. Ik probeer mijn gevoel van stekende frustratie te onderdrukken maar het verspreid zich vloeiend over mijn hele lichaam; alsof het van alcohol is die je verwarmd van binnenuit. Ik adem gehaast in en zodra mijn handen de gladde stof aanraken wordt alles een waas. Het patroon moet aan beiden kanten van de tafel evenveel ruimte hebben, het mag geen centimeter verschillen van elkaar. Het moet precies uitkomen met de lijn van de kast die iets verder van de tafel staat en de kaarsen moeten tussen de bloemen gelijk onder de steunbalk van de tafel passen. Ik sorteer ze op breedte en zet ze op een lijn evenwijdig aan rand. Recht.
Recht als de lijn van de stoelpoot die naar de grond getrokken wordt. Recht als de scheiding van mijn haar op mijn hoofd. Mijn blik schiet omhoog om zeker te weten dat het plafond nog wit is en de randjes nog zilver, dan gelijk omlaag. Ik zie dat er geen enkel stofje kleeft aan de gladde randen van de kamer. Ik overstrek mijn handen terwijl ik de mist voor mijn ogen laat wegtrekken.
Ik laat een klein beetje adem los. Langzaam trekken de spieren van mijn gezicht in een positie van een ongemakkelijke glimlach. Ik voel me blij omdat ik alles heb wat ik hoor te hebben; perfectie. Toch begin ik te trillen, net als de ramen waar de regen tegen aan slaat. Opeens voel ik hoe strak gespannen mijn spieren staan. Hoe veel pijn mijn voeten doen van het dagen constant heen en weer lopen in mijn kamer. Niets raakt me aan, maar alles heeft me vast. De spieren in het kuiltje net boven mijn maag en onder mijn borstbeen trekken zacht samen en een gevoel van onbehagen en verzet begint zichtbaar te worden vanonder de gebobbelde laag cellen in mijn lichaam. Het wringt.
Ik schrik op van bekende voetstappen. Precies op tijd strek ik mijn rug. Mijn moeder komt binnen.
De reflectie van het licht in haar ogen buigt af net voor dat ze die van mij ontmoeten in mijn ruimte van verse lucht. Mijn verse lucht. Haar ogen lijken te bevatten wie ik ben maar waarom ik elke regendruppel apart probeer te omvatten zal ze nooit begrijpen.
Elke haar op mijn lichaam wordt geteld, omringt met een gevaarlijke blik van illusionaire verwachting. Ik voel haar kijken en ik zit te staren, ik kan niet meer bewegen, alleen maar herbeleven en denken. Denken aan bewegen. Alsof ik schaak sta op een bord met alleen vakjes van wit en de koningin steeds dichter bij komt.

Schaakmat.